Deel 8: (Voorlopig) Gelijkspel

Na een flinke lading proefballonnetjes en het nodige uitstel ziet op 5 september 2014 het ontwerpadvies van de SER over de toekomst van de arbeidsgerelateerde zorg het licht. Wie een consistent verhaal verwacht zal sterk teleur worden gesteld.

Het advies bestaat uit het nodige knip & plak-werk; je kunt daarin heel duidelijk zien wie welke bouwsteen heeft aangedragen.

De eerste inhoudelijke reactie die ik las was van bedrijfsarts Dolf Algra op Medisch Contact. Zijn oordeel was vernietigend: ‘De raad maakt haar pretentie een goed onderbouwde, uitgewerkte,  breed gedragen toekomstvisie te presenteren niet waar. Het blijft hangen in een tekentafelwerkelijkheid van een verdeelde polder. Het is onevenwichtig en niet rijp. Hier valt geen chocola van te maken’.

‘Het meest dodelijke onderdeel van het ‘advies’ is de financiële paragraaf. Die ontbreekt dus geheel. De echte killer is het zinnetje dat de ambtelijke werkgroep, gezien ‘de beschikbare informatie en de mate van uitwerking van het advies ‘ ‘tot de conclusie is gekomen dat op de belangrijkste onderdelen van het advies geen kwantitatieve duiding mogelijk is’.

Wat moet ik daar nog aan toevoegen? Ik heb het ontwerpadvies doorgeakkerd en bied ter aanvulling hier een paar hoogte- (of eigenlijk meer diepte-)punten.

Eerst een blik op de doelstelling die de commissie zich had gesteld:

‘Het advies behelst de reactie van de SER op de adviesaanvraag van 10 juli 2013 van de ministers van SZW en van VWS, over de toekomst van arbeidsgerelateerde zorg. Dit is de zorg voor alle werkenden (inclusief zzp’ers) of werkzoekenden die is gericht op behoud, herstel en verbetering van de gezondheid en duurzame inzetbaarheid van werkenden. Daarbij gaat het niet alleen om de zorg die door bedrijfsartsen en arbodienstverleners wordt geboden, maar ook om de reguliere eerste- en tweede- /derdelijnszorg’.

Dat begint al goed! Halverwege ben ik de weg al kwijt. In één zin wordt eerst aangegeven dat het om werkenden en werkzoekende gaat, maar uiteindelijk toch gericht is op werkenden. Huh, wie heeft dit geschreven? Verder wordt aangegeven dat het om zorg gaat die zowel door de bedrijfsartsen, arbodienstverlening, als alle geledingen van de reguliere zorg wordt geboden. Heel ambitieus gezien de opdracht dat het advies niet tot verhoging van de kosten binnen de reguliere zorg mag leiden.

Hoe zit het met de knelpunten die worden benoemd?

1. Onvoldoende kennis van/rekening houden met de factor arbeid in de reguliere zorg

Deze kop lijkt herkenbaar voor casemanagers. Behandeling in de reguliere zorg houdt vaak geen of onvoldoende rekening met het belang van snelle terugkeer naar werk. Er wordt hier echter iets anders bedoeld. In het advies wordt gewezen op het belang van ‘arbeid als factor in de diagnose’. Een nieuwe kennis-infrastructuur moet de herkenning van deze factor mogelijk maken: ‘De infrastructuur kan inzichten en kennis over arbeidsgerelateerde gezondheidsproblemen, diagnose en behandeling samenbrengen en verspreiden’. Arbeidsgerelateerde zorg wordt in het SER-advies vooral aan arbeidsgerelateerde gezondheidsproblemen verbonden. Verzuimbegeleiding wordt nodeloos versmalt door de nadruk op arbeidsgerelateerde klachten te leggen.

Werkgevers en (case)managers die actief bezig zijn met verzuimmanagement beseffen gelukkig dat de oorzaak van het verzuim zelden bepalend is voor de vorm of inhoud van de begeleiding. Voor optimalisering van reïntegratie (of schadelastbeheersing) moet je het doorgaans niet van de reguliere zorg hebben. Gerichte verwijzing naar arbeidsgerelateerde providers, in samenwerking met de bedrijfsarts, levert bij reïntegratie vaak tijdswinst en passender oplossingen op.

 

2. Onvoldoende samenwerking bedrijfsarts en reguliere zorg

Bij dit punt ga ik niet te lang stil staan. Het is goed dat er aandacht is voor de uitwisseling van noodzakelijke gegevens. De bedrijfsarts moet in de gelegenheid worden gesteld om de belastbaarheid, voortgang in herstel en de effectiviteit van behandelingen te beoordelen en de medewerking die ze daar nu in krijgen is vaak ronduit slecht. Alhoewel dit een herkenbaar knelpunt is, ligt de oplossing niet primair bij de bedrijfsarts.

 

3. Bedrijfsartsen zijn onvoldoende gericht op het opsporen van en hebben onvoldoende kennis van beroepsziekten

Vanuit het oogpunt van preventie is aandacht voor beroepsziekten een belangrijk punt. Het vaststellen van beroepsziekten kan beter, maar de vakbonden hebben overspannen verwachtingen op dit gebied. Lees een keer het artikel van bedrijfsarts Pieter de Jongh over ‘Beroepsziekileaks‘. Hij citeert o.a. de definitie van beroepsziekten: ‘Een beroepsziekte is een ziekte of aandoening als gevolg van een belasting die in overwegende mate in arbeid of arbeidsomstandigheden heeft plaatsgevonden’. Bij PSA, maar ook bij andere klachten zie je dat het stuk ‘overwegende mate’ vaak wordt overgeslagen en de oorzaak wel heel gemakkelijk op het conto van het werk wordt geschreven. ‘Opsporen’ is in dit kader een vreemd woord.

De nadruk op arbeidsgerelateerde klachten die door het hele SER-advies is verweven baart mij zorgen. Alle ontwikkelingen met betrekking tot verzuimmanagement lijken overboord te worden gezet. Slechts een klein deel van het verzuim wordt door arbeid veroorzaakt. Door preventie tot politiek thema te bombarderen en de focus vervolgens van verzuim naar preventie te verschuiven, dreigt het kind met het badwater weg te worden gespoeld. Het gedragsmodel, de focus op belastbaarheid i.p.v. klachten (de basis van de WIA) en activering als belangrijk instrument worden ondergeschikt gemaakt aan het onderkennen, behandelen en voorkomen van arbeidsgerelateerde gezondheidsproblemen. Ik hoor hier luid en duidelijk de stem van de vakbonden. ‘Dit deel van de raad (lees de vakbondsvertegenwoordigers) is van mening dat het systeem dat we gebouwd hebben, te veel prikkels heeft als het gaat om verzuim en te weinig prikkels als het gaat om preventie’.

 

4. Tekortschietende instroom in opleiding tot bedrijfsarts

Tja, hier hebben we toch echt te maken met een imago-probleem. Bedrijfsartsen dreigen vast te komen zitten tussen werkgevers en werknemers. De NVAB heeft door haar gelonk met de bonden er in belangrijke mate aan bijgedragen dat werkgevers zich steeds minder gesteund voelen door bedrijfsartsen. De bonden op hun beurt doen erg hun best om bedrijfsartsen bij hun achterban zwart te maken. Als jonge arts krijg je het idee dat je bij niemand welkom bent ……

Het idee van Jim Faas om de opleidingen voor bedrijfs- en verzekeringsartsen in elkaar te schuiven vond ik zelf niet onaardig. De bedrijfsarts is een medisch adviseur, niet primair een behandelaar. Dit is één van de kenmerken die beide beroepsgroepen verbindt. Er moet een nieuwe generatie medici zijn die dit aspect juist aanspreekt. Samenvoegen van de opleidingen zou ook een goede oplossing zijn voor de miscommunicatie tussen deze twee beroepsgroepen.

In het SER-advies wordt helaas geen aandacht besteed aan de verschuiving van een deel van de taken van de bedrijfsarts naar andere professionals. Met een nieuwe afbakening van rollen is er in de toekomst minder behoefte aan bedrijfsartsen. In zowel preventie, verzuimbegeleiding en behandeling hoeft deze lang niet altijd centraal te staan. Ik zie nog steeds een belangrijke rol voor bedrijfsartsen, maar het vak heeft zich de laatste 10 jaren een andere kant op ontwikkeld. Het lijkt alsof de SER de klok terug probeert te draaien en de klassieke bedrijfsarts opnieuw in het zadel wil hijsen.

 

5. Onvoldoende toegankelijkheid bedrijfsgezondheidszorg

‘In het bestaande stelsel voor bedrijfsgezondheidszorg kan een deel van de werknemers dat nog niet verzuimt maar wel gezondheidsklachten heeft of vreest, zich niet bij hun bedrijfsarts melden voor advies. Het contract van hun werkgever met de bedrijfsarts of arbodienst voorziet niet in deze mogelijkheid’. Dit is een oproep om het verplichte arbeidsomstandighedenspreekuur weer in te voeren. Bij de afschaffing van deze verplichting in 2007 (wijziging Arbowet) was de conclusie dat dit instrument niet werkte! Waarom zou het nu ineens wel gaan werken? In 12 jaar verzuimbegeleiding heb ik flinke rekeningen voor deze spreekuren gezien, maar nooit een wezenlijk preventief advies. De bedrijfsarts wordt in praktijk vaak als een verkapte vertrouwenspersoon gebruikt. Preventieve spreekuren zijn een goed instrument, maar daar hoort wat mij betreft (net als bij een verzuimspreekuur) een duidelijke en liefst gezamenlijke vraag bij. Bij de oplossing van problemen zijn uiteindelijk ook zowel werkgever als werknemer nodig!

‘Zzp’ers kunnen vaak evenmin gebruik maken van de bedrijfsarts of de arbodienst van het bedrijf waarvoor zij opdrachten verrichten, noch is voor hen de toegang tot een bedrijfsarts op een andere manier geregeld. In 2013 ging het in Nederland om ruim 1,1 miljoen zzp’ers. Het ontbreken van een structurele regeling voor deze groep klemt te meer daar het aantal zzp’ers nog steeds groeit’. Ik snap werkelijk niet wat een ZZP-er bij de arbodienst van een opdrachtgever heeft te zoeken. Strikt gezien is het een ondernemer die zijn ondersteuning zelf moet regelen. Als ZZP-ers hier behoefte aan hebben, dan moet worden nagedacht over zelf bekostiging en daarop aansluitende verzekeringen. Ik twijfel echter sterk of deze behoefte nou werkelijk leeft bij ZZP-ers. De groep die interesse heeft in toegang tot de bedrijfsarts/arbodienst van zijn opdrachtgever wordt waarschijnlijk oneigenlijk ingezet als ZZP-er (verkapt dienstverband).

‘Verder vormen werklozen (circa 684.000) en vrijwilligers een grote groep die geen toegang heeft tot de bedrijfsarts’. De toegang van werklozen tot een bedrijfsarts snap ik echt niet, wat hebben zij bij een bedrijfsarts te zoeken? De volgende passage laat zien waar de schoen eigenlijk wringt: ‘Onvoldoende toegankelijkheid van de bedrijfsgezondheidszorg belemmert adequate zorg voor (behoud en herstel van) de gezondheid en leidt tot hoger verzuim en lagere participatie‘. Daar waar er nog een link is naar de laatste werkgever is gepoogd deze financieel te prikkelen door middel van de wet BeZaVa om ook na beëindiging van het dienstverband in reïntegratie te investeren. Lage participatie van langdurig werklozen lijkt mij eerder een probleem van algemene gezondheid/conditie in combinatie met inzetbaarheid en daarmee de verantwoordelijkheid van de overheid. Ik vind het vrij vergezocht om ook voor deze groep een oplossing binnen de arbeidsgerelateerde zorg te zoeken.

 

6. Onvoldoende aandacht voor preventie

Het  grote thema in het SER-advies lijkt preventie. ‘Van de bedrijfsartsen die door bureau AStri (2011) werden ondervraagd, was 70 tot 80 procent van mening dat ze meer in de gelegenheid zouden moeten worden gesteld om preventieve activiteiten te ondernemen rond arbeidsrisico’s en leefstijl’. De arbeidsrisico’s snap ik (deels) nog wel, maar waarom zou leefstijl primair de verantwoordelijkheid van werkgever en of bedrijfsarts moeten zijn? Wat hebben arbeid en leefstijl met elkaar te maken. Natuurlijk is dit een interessant commercieel product voor arbodiensten en bedrijfsartsen, maar dat maakt het nog reden om de financiële verantwoordelijkheid bij werkgevers neer te leggen.

Nog even terug naar de arbeidsrisico’s; de bedrijfsarts is hierbij vaak niet meer dan een doorgeefluik. Andere kerndeskundigen hebben een veel grotere rol bij het in kaart brengen van risico’s en het adviseren over oplossingen. Waarom dit als zorg moet worden bestempeld ontgaat mij dan ook. Als de huidige dienstverlening niet voldoet, dan zou de arbowet moeten worden aangepast, niet de ‘arbeidsgerelateerde zorg’.

In een discussie op LinkedIn las ik dat Nederland ten opzichte van andere landen slecht ‘scored’ op het gebied van preventie; de cijfermatige onderbouwing ontbrak helaas. Stel dat dit inderdaad zo is, dan ligt dat niet aan de rol van de bedrijfsarts in preventie. De bedrijfsarts zoals wij die kennen is een typisch Nederlandse beroepsgroep. Laten we dus kijken wat men in andere landen aan preventie doet en welke professionals daarbij zijn betrokken. Preventie is een belangrijk onderwerp, maar de oplossing ligt niet in het over-medicaliseren van dit vakgebied.

 

7. Onafhankelijkheid bedrijfsarts niet zonder meer gewaarborgd en vertrouwen in de bedrijfsarts schiet tekort

De propagandamachine van de bonden heeft zijn werk goed gedaan. De bedrijfsartsen zijn vakkundig zwart gemaakt. De hele discussie over de onafhankelijkheid van de bedrijfsarts is de grootst mogelijke b*llsh*t! Alhoewel ik zelf vaak het nodige op bedrijfsartsen heb aan te merken, ben ik in 12 jaar verzuimbegeleiding nog nooit een bedrijfsarts tegen gekomen die onethisch met zijn beroep omgaat.

Verzuimbegeleiding wordt door veel werknemers als ‘duwen en trekken’ ervaren. Een verzuimende werknemer wil over het algemeen rust en elk advies dat hier tegen in gaat is dus niet goed. De vlotte terugkeer naar werk is echter een gezamenlijk belang. Hoe langer een werknemer niet werkt, hoe moeilijker het wordt om te reïntegreren. Hier hoef je bij de gemiddelde vakbondsvertegenwoordiger (of het gemiddelde lid) niet mee aan te komen. Zij lijken reïntegratie en verzuimbegeleiding toch vooral vieze woorden te vinden. Als activerende en sturende bedrijfsarts kun je het bij een deel van de werknemers dan ook niet goed doen. Wat is er makkelijker dan een dergelijke arts afhankelijk te noemen. Wat een flauwekul.

Tot zover de knelpunten; afhankelijk van het perspectief dat je kiest zijn deze wel of niet belangrijk. De SER is het niet gelukt om tot een sluitend advies te komen dat alle knelpunten op zou lossen. Kern van het probleem is blijkbaar of je primair voor verzuimbegeleiding kiest (het huidige systeem) of voor preventie. De invoering van de Wet BeZaVa laat echter zien dat er vanuit de politiek nog steeds voor verzuimbegeleiding wordt gekozen. De overmatige instroom van flex-ers in de WGA maakt duidelijk dat begeleiding van verzuim nog steeds heel hard nodig is. Laat de aandacht voor verzuim binnen een organisatie verslappen en je ziet het verzuim weer stijgen. Preventie kan dit helaas niet oplossen.

Kort samengevat blijft het SER-advies laf in een opsomming van bouwstenen hangen. Er worden geen keuzes gemaakt. Het advies zal worden behandeld in de openbare raadsvergadering van de SER op vrijdag 19 september. Voorlopig is het gelijkspel voor de twee belangrijkste geledingen. Ik ben er echter niet gerust op wat de politiek met dit advies gaat doen. Het is oorverdovend stil; achter de schermen wordt vast heel hard gelobbyd ……..

Na het plaatsen van deze post werd ik op de reactie vanuit Falke & Verbaan gewezen: Verdeeld SER-advies gemiste kans voor echte verbetering. Een mooie analyse van Reijer Pille
P.S. Het uiteindelijke advies dat op 19 september j.l. is behandeld tref je hier.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *