Deel 4: De NVAB zet werkgevers (en bedrijfsartsen) buiten spel

Wat is dat toch met de NVAB? Ik verbaas mij al heel lang over de opstelling van deze beroepsvereniging. De keuzes die zij maken drijven consequent een wig tussen bedrijfsartsen en werkgevers.

In 2007 schrijft (bedrijfsarts) Dolf Algra het volgende over het beleid van de NVAB:

“In alle stilte is op 4 april 2007 geschiedenis geschreven. Het betreft weliswaar een kleine omwenteling, maar toch. Plaats van handeling: de algemene ledenvergadering van de beroeps­organisatie van bedrijfsartsen, de NVAB. Zij besloot op deze gedenkwaardige dag (eenzijdig!) werkveld, takenpakket en positionering van de bedrijfsarts compleet te herdefiniëren. De hoofdlijnen van de vernieuwde positionering, zoals verwoord in het NVAB-standpunt ‘De bedrijfsarts: dokter en adviseur’ zijn:

  • de ‘bedrijfsarts nieuwe stijl’ heeft als medicus individuele zorgtaken voor alle (aspirant)werkenden (in betaald en onbetaald werk);
  • de ‘bedrijfsgeneeskunde nieuwe stijl’ maakt deel uit van de eerstelijns­gezondheidszorg en is gecentreerd rond (aspirant)werkenden;
  • de ‘bedrijfsarts nieuwe stijl’ is medisch adviseur en coach van bedrijven/werkgevers, zowel in preventieve als curatieve zin.

Het is een standpunt met vergaande implicaties: de bedrijfsgezondheidszorg (sociaal-geneeskundig domein bij uitstek) wordt verengd tot individugebonden zorg volgens medisch model, aangelengd met een toefje belasting-belastbaarheidsdenken. De individuele patiënt, werknemer/(aspirant)werkende staat centraal en niet zo’’n lastige, ongrijpbare entiteit als het bedrijf, de werkgemeenschap, het team, de functiegroep of de organisatie. De doelgroep is tegelijkertijd verbreed van werknemers in loondienst naar iedereen die betaald of onbetaald werk verricht, zoals zelfstandigen, studenten, vrijwilligers, uitkeringsgerechtigden en mantelzorgers. De bedrijfsarts van de toekomst wordt zo een huisarts met klein (zorg- en behandel)brevet voor patiënten met beroepsgebonden aandoeningen. En daarmee is de sector huisartsgeneeskunde en passant met tweeduizend (bedrijfs)artsen uitgebreid.

Het gevolg is volgens Dolf Algra:

“Ten slotte neemt de NVAB met dit standpunt definitief afscheid van haar wortels, het sociaal-geneeskundig paradigma, de basis van de bedrijfsgezondheidszorg. Want zelfs de adviesfunctie van de bedrijfsarts is vooral in individugebonden taken beschreven. De ‘bedrijfsarts nieuwe stijl’ wordt aldus een huisarts met klein zorg- en behandelbrevet. Niets meer en niets minder. En zo keert de bedrijfsarts na zestig jaar terug in de zorg en is definitief weg uit het bedrijf”.

Voor professionele casemanagers is deze verschuiving naar individuele zorgtaken heel herkenbaar. De zorgtaak lijkt echter vaak met activering te botsen. Werkgevers missen in toenemende mate hun logische partner bij het bewerkstelligen van reïntegratie.

We springen over naar 2010; de FNV lanceert zijn plannen voor een instellen van de ‘werknemersarts’. De NVAB reageert verbazingwekkend snel met bijval:

“Pieter Rodenburg, voorzitter van de NVAB, herkent deze geluiden. “Er is regelmatig wantrouwen vanuit de patiënt en dat kunnen we ons vanuit dat perspectief wel voorstellen. Al zal een bedrijfsarts altijd onafhankelijk werken, dat staat ook in onze statuten.”

Opvallend is het gebruik van het woord “patiënten”. De voorzitter van de NVAB vervolgt met:

“Volgens Rodenburg zijn er een aantal voordelen verbonden aan een eventuele splitsing. Ten eerste zal de werknemer meer vertrouwen hebben in de arts, als deze niet door het bedrijf wordt betaald. Als de werknemersarts uit de ziektekostenverzekering wordt betaald, verwerft hij bovendien een natuurlijke plek tussen de andere artsen. “Daardoor is het makkelijker om overleg te plegen met huisartsen of andere artsen.” Ook is het dan wellicht mogelijk om deel te nemen aan het EPD. “En de bedrijfsarts die door het bedrijf betaald wordt, kan zich veel meer bezig gaan houden met preventie, wat ook belangrijk is.”

De gezamenlijke verantwoordelijk van werkgever en bedrijfsarts om de reïntegratie te bevorderen wordt hier nog verder naar de achtergrond verschoven. De bedrijfsarts wordt vooral als behandelaar neergezet en zijn adviesrol lijkt zich te beperken tot preventie. Duiding van benutbare mogelijkheden en activering lijken hier niet bij te passen. De bedrijfsarts vervreemd nog verder van de werkgever. FNV en NVAB lijken gezamenlijk op te trekken tegen de werkgever; logisch dat er gezocht wordt naar alternatieve financiering (via de zorgverzekeraar) als je je opdrachtgever op deze manier buiten spel zet.

In 2013 wordt hier nog een schepje bovenop gedaan. In april van dat jaar biedt de NVAB de ‘Kernwaarden van de Bedrijfsarts‘ aan aan het ministerie van Sociale Zaken. Een curieus en totaal egocentrisch document dat puur vanuit zorg is beschreven; reïntegratie wordt geen enkele keer genoemd. Blijkbaar heeft de bedrijfsarts hier geen taak in.

De FNV brengt het rapport ‘verzuimbegeleiding, een corrupt systeem’ uit. De NVAB reageert in oktober 2013 als volgt:

“Het rapport ‘Verzuimbegeleiding, een corrupt systeem’ van FNV Bondgenoten laat schokkende resultaten zien. Volgens de NVAB moet de regie over de zorg voor werkende mensen terug naar de bedrijfsarts. Alleen dan is de privacy en het belang van werknemers gegarandeerd.

Het rapport van FNV Bondgenoten, gebaseerd op 6.168 meldingen van werknemers op het meldpunt verzuimbegeleiding, brengt duidelijk in beeld hoe de privacy van werknemers geschonden wordt en dat zij geen toegang hebben tot passende arbeidsgerelateerde zorg. De NVAB maakt zich al langer zorgen over de inzet van casemanagers die op de stoel van de arts gaan zitten, maar ook over ‘arboartsen’ die geen opleiding als bedrijfsarts hebben gehad en niet deskundig zijn.

De NVAB vindt dat de bedrijfsarts zijn rug recht moet houden, ondanks de ongeoorloofde druk die in sommige gevallen wordt uitgeoefend. De NVAB is al langer bekend met deze situatie en tracht bedrijfsartsen daarin te ondersteunen. Ook pleit de NVAB al geruime tijd voor onderzoek naar de andere mogelijkheden voor financiering van arbeidsgerelateerde zorg, zoals organisatie op brancheniveau. De zorg voor werkenden hoort bij de bedrijfsarts, die de regie voert in een team met geschoolde medewerkers.

Het gaat opnieuw alleen maar over zorg en niet over reïntegratie; zorg en reïntegratie zouden gelijk op moeten gaan. Verder is het zorgelijk dat de NVAB blijkbaar van mening is dat de regie niet bij werkgever en werknemer hoort te liggen, maar bij de bedrijfsarts.

In december 2013 volgt een waarschuwing met daarin een kat naar (een deel van de) werkgevers:

“Een arbo-arts is basisarts zonder extra opleiding die wordt ingezet door verzuimbureaus die de onderkant van de markt bedienen via minimale contracten met werkgevers waar een fatsoenlijk personeelsbeleid ontbreekt. Een bedrijfsarts is medisch specialist arbeid en gezondheid, een sociaal-geneeskundige specialisatie, met vier jaar opleiding op het gebied van o.a. arbeidsomstandigheden, preventie, beoordeling belasting-belastbaarheid en advisering. Bedrijfsartsen werken zelfstandig, in maatschappen of bij arbodiensten die hun zaken geacht worden op orde te hebben conform de certificering.

Verzuimbureaus zijn vaak onvoldoende bekend met wet- en regelgeving en proberen met zo min mogelijk middelen arbeidsongeschikte medewerkers terug aan het werk te krijgen, zonder aandacht voor hun duurzame inzetbaarheid. Het zijn bedrijven die zich onttrekken aan de kwaliteitseisen die bij goede en gecertificeerde arbodienstverlening horen.

De NVAB is niet tegen marktwerking. Maar die markt moet wel duidelijk gereguleerd zijn, met randvoorwaarden voor goede zorg en een inspectie die vaker optreedt tegen malversaties. Om die randvoorwaarden maken we ons druk, en mede om die reden hebben we de kernwaarden van de bedrijfsarts opgesteld.”

Als in februari 2014 de eerste berichten naar buiten komen over de het SER-advies wordt door de NVAB als volgt gereageerd:

“Realiseer een bredere toegankelijkheid van de bedrijfsarts voor álle werkenden.

  1. Voer het arbeidsomstandighedenspreekuur weer in.
  2. Voer een minimumcontract voor arbodienstverlening in.
  3. Verbeter de financiering van de opleiding tot bedrijfsarts zodat de instroom toeneemt.
  4. Realiseer meer aandacht voor preventie, o.a. door het stimuleren van Preventief Medisch Onderzoek.
  5. Stimuleer de aandacht voor arbeid bij de curatieve zorg  onder andere door een betere samenwerking tussen de curatieve zorg en de bedrijfsgezondheidszorg.”

De NVAB lijkt weer meer bezig met haar eigen positie, dan met de samenwerking met werkgevers.

Inmiddels heeft Ferdinand Grapperhaus, voorzitter van de SER-commissie Arbeidsomstandigheden op de NVAB Bedrijfsgeneeskundige dagen in een presentatie laten zien welke richting het SER-advies op gaat. Dit was een bevestiging van een aantal zaken die al waren uitgelekt. Veel van de bedrijfsartsen die hierbij aanwezig waren reageerden enthousiast op de plannen.

“De NVAB kan zich goed vinden in het te bespreken scenario en zal actief input leveren voor de verdere uitwerking”.

Werkgevers hoeven niet veel goeds te verwachten van de input van de NVAB; deze beroepsvereniging laat duidelijk blijken dat ze meer geïnteresseerd zijn in profilering dan samenwerking, alhoewel de samenwerking met de FNV blijkbaar goed is.

Gelukkig zijn er (vooral zelfstandige) bedrijfsartsen en kleine arbodiensten die een ander geluid laten horen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *